Hokjesdenken
2

Waarom ik niet in het kale-kankermoeder-hokje wil zitten

Ze zit schuin achter ons in het restaurant. Een jonge moeder met haar gezin. Ze draagt een hoofddoekje. Niet uit religieuze overtuigingen, dat zie je zo. Wat ze draagt is onbetwist een chemomuts. Haar twee kinderen drentelen om de tafel. Peuters nog.

Ik gluur uit mijn ooghoeken. Ik denk: ‘Wat zielig’.

Het duurt enkele seconden voordat het besef indaalt. Zo kijken mensen dus ook naar mij… Maar ik ben helemaal niet zielig! Ik realiseer me dat ik met twee maten meet. In plaats van me te vereenzelvigen met een lotgenoot, plaats ik haar onwillekeurig in een hokje. Een hokje waarin ikzelf nota bene niet geplaatst wil worden.

Toch is het alleszins voorstelbaar dat mensen mij (en mijn Lief) ook beklagenswaardig vinden.

De lijst met onverkwikkelijke gebeurtenissen in ons leven had ook best wat korter gemogen.

Synopsis: diagnose borstkanker tijdens de zwangerschap van ons tweede kind. Zeven jaar, nog een kind, een verhuizing en een huwelijksaanzoek later: uitgezaaide borstkanker. En niet alleen de tweede, maar ook de eerste en derde bevalling verliepen allerminst onder roze omstandigheden. Nummer één kwam veel te vroeg en legde na amper vijf minuten bijna het loodje onder de lede ogen van Lief. Nummer drie kwam niet alleen volkomen onverwachts, zijn komst was medisch gezien beslist niet de bedoeling.

Kramen onder hoogspanning. Rust moest komen uit een potje van de apotheek.

Je zou ons inmiddels doorgewinterde thrill seekers kunnen noemen. Feit is dat vrijwel ieder major life event bij ons gepaard gaat met flinke schaduwwolken. Objectief bekeken zie ik ook wel dat het rooskleuriger had gekund. Maar zielig? Nee.

Merkwaardig, hoe kan het dat ik mezelf een oogwenk buiten een groep plaats waartoe ik wel degelijk behoor, die van kale moeders met kanker? En waarom plak ik intussen wel achteloos een etiket op een andere chemomoeder?

Ik kauw even op deze vragen tijdens het voorgerecht. Doe ik aan verdringing? Nee, dat is het niet. Ik denk de hele dag door aan kanker. De dreiging die tumorweefsel in het lijf met zich meebrengt, voel ik vaak als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangen. Tegelijkertijd verhindert de ziekte niet dat ik van het leven geniet.

Ik ben meer dan kanker.

Ik ben een veertiger die zich eerder dit jaar zo nodig in pontificaal wit tule moest hijsen voor het uitspreken van het simpele woordje ‘ja’. De trotse, nieuwe bewoner van een houten Zweedse woning, die genoegen schept in het begieteren van de geraniums aan het balkon en die schaamteloos, onverholen blijft oreren over het welbehagen dat een veranda, een houtkachel en een bos in de achtertuin met zich meebrengt. Een volleerde opperheks, die ten overstaan van haar dochter en zeven andere wannabe heksjes soep bereidt van rattentanden, gedroogde pissebedden en lauwe koeienpis.

Ik kampeer en wandel en vouw me al yogaënd moeiteloos in cobra-, hond- en heldpositie.

Ik leef, ik lach, ik kus, ik kook. Ik toast bijna wekelijks met Lief en vrienden op het leven.
Het zijn niet de standaard associaties die kankerpatiënten oproepen, niet de beelden die je te binnen schieten bij het treffen van een chemomuts. Zelfs niet bij mij. Dat komt omdat ik terdege besef dat het ook anders kan. Dat genieten niet eenvoudig is als ziekte of behandeling je lichamelijk beperkt, als je pijn hebt of extreem moe bent of als je weet dat je uitbehandeld bent… Dan kan het leven bikkelhard zijn. Misschien is ‘zielig’ niet het goede woord, maar knap beroerd is dat wel.

Pijn, verdriet, afscheid… dat is waar we kanker aan koppelen. Ik ook.

Het zijn de woorden die aan het hokje in mijn hoofd kleven. Het is waar ik bang voor ben. Ja, nu de laatste chemo erop zit, ik me weer fit voel en energiek voel, bestaat mijn lijden vooral uit het lijden dat ik vrees.

Deze week is die vrees weer alomtegenwoordig, want ik lag in een scanner. Ergens op een server zweeft nu het resultaat: plaatjes van mijn botten, spieren en organen. Volgende week mag ik ze bestuderen en hoor ik of de kankercellen hun roemloze aftocht hebben voortgezet of ondanks chemogeweld toch aan het woekeren zijn geslagen.

Als ik er te veel aan denk, word ik slap van de zenuwen.

Als het mis is, vrees ik dat ik mezelf toch zielig ga vinden.

Het hoofdgerecht wordt opgediend. Ik blik nog een keer achterom naar mijn lotgenoot en bedwing de aanvechting om naar haar te zwaaien, zoals buschauffeurs van dezelfde firma dat plegen te doen. Hopelijk smaakt het eten haar en geniet ze, ondanks ziekte en zorgen. In mijn hoofd bevrijd ik haar zekerheidshalve uit haar hokje.

chemomoedergenietenhokjesdenkenKanker

Pauline van der Kolk • 3 november 2017


Previous Post

Next Post

Comments

  1. Marga 3 november 2017 - 08:18 Reply

    Wat een pakkend verhaal weer. Genieten ondanks beperkingen. Een waar woord. Heel veel sterkte ook voor volgende week. Groet, Marga

  2. Ria Wezenberg 13 december 2017 - 08:10 Reply

    Hallo Pauline,

    Wat een bijzonder verslag weer en wat beschrijf jij dat toch mooi. Maar ja, is je werk he ?
    IK blijf het met interesse volgen en wens jou en je gezin van alles het beste maar voornamelijk gezondheid en positieve berichten in 2018 toe.

    Hartelijke groeten

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *