Worstelingen van een wereldverbeteraar

Laat ik het maar eerlijk toegeven: dat hele wereldverbeteren, dat gaat me niet in de koude (tweedehands) kleren zitten. Neem nou dat plastic dieet dat ik mijzelf oplegde. Ik had al het nodige gelezen over het plastic-probleem voordat ik besloot er niet alleen ‘Ach en wee’, over te roepen, maar ook te onderzoeken wat ik er zélf aan kon doen.

Ik wist dat wereldwijd jaarlijks inmiddels meer dan 400 miljoen ton plastic wordt geproduceerd. Dat een derde daarvan bestaat uit verpakkingen. En dat van al het plastic dat tegenwoordig wordt gemaakt een klein deel wordt gerecycled, dat een deel gecontroleerd wordt gestort of verbrand en dat 32 procent in het milieu eindigt.

Ik wist dat plastic niet vergaat. Dat onze oceanen zijn verworden tot plastic soep. Dat grote stukken plastic in de natuur geleidelijk afbrokkelen tot kleine deeltjes en dat die microplastics en nano-plastics zich overal bevinden. In de lucht, de bodem en het water. Dat dit veel dierenleed veroorzaakt en ook slecht is voor de menselijke gezondheid. We ademen, eten en drinken steeds meer plastic. (Bron: Plastic Soup Foundation)

Dat wist ik allemaal wel. Maar weten is nog geen doen.

Begin dit jaar ontmoette ik de Friese zangeres Nynke Laverman. Samen met haar man Sytze Pruiksma trad ze op tijdens onze Expeditiespecial ‘Verlangen naar verbinding’. Ze zong twee adembenemende nummers van haar album Plant, dat gaat over de relatie tussen mens en natuur. Tussen de repetities door vertelde ze met aanstekelijk enthousiasme over de veranderingen die ze de afgelopen jaren had doorgevoerd. Dat ze zoveel mogelijk verpakkingsvrij boodschappen doet en nog maar een keer per halfjaar een afvalcontainer bij de weg zet. Sindsdien moet ik dus elke keer als ik onze container naar de straat sleep aan Nynke denken.

Omdat ik vanwege mijn baan als projectleider Expeditie van betekenis onderzoek hoe ik zélf (meer) van betekenis kan zijn, besloot ik een paar weken geleden haar voorbeeld te volgen. Ik verdiepte me in het zero waste-boek van twee hippe millennials.

Opgewekt vertrok ik beladen met tassen en bakjes richting biologische boer, markt en Ekoplaza. Ik kwam chagrijnig thuis.

Chagrijnig omdat: de dichtstbijzijnde zaterdagmarkt en de biologische supermarkt zich 18 kilometer verderop bevinden (hoe duurzaam is het eigenlijk om zo ver te rijden voor je boodschappen?), het me een halve dag kostte om weekinkopen te doen, ik heel veel geld kwijt was bij de Ekoplaza en ik nog niet eens half in mijn missie geslaagd was: het plastic puilde alsnog mijn tas uit.

Een week later verliep het niet veel beter. Van een gewone routineklus werd boodschappen doen een energieslurpende  beproeving. Ik besloot dat het van de zotte was om een heel eind te rijden voor de markt, maar constateerde dat in de plaatselijke supermarkt veel, heel veel producten in plastic verpakt zitten. En ieder artikel noopte me tot nadenken: kies ik zuivel uit een fles of uit een klimaatneutrale kartonnen verpakking?

Een biologische komkommer verpakt in plastic (langer houdbaar) of een niet-biologische zonder plastic? Verse blauwe bessen in blisterverpakking of diepvriesbessen in karton? Hoofdbrekens! Ik hoopte nog een versgebakken brood mee te kunnen nemen in mijn gloednieuwe katoenen broodzak. Maar ook dat zat er niet in. Alles was al voorverpakt. Wel was een behulpzame medewerker bereid om het plastic voor mij er weer af te halen. Dat dan weer wel.

Weer een week later had ik weinig tijd en had ik er zo de pest in dat ik recalcitrant weer als vanouds mijn winkelwagentje vulde zonder nadenken.

Paksoi in plastic, pasta in plastic, alles in plastic. Ik voelde me een crimineel.

Boodschappen doen gaf me op geen enkele manier meer voldoening. Vrijwel ieder levensmiddel dat ik kocht vervulde me met schuldgevoel wegens: verpakt in plastic, of niet-biologisch of schreeuwend duur. Of een combinatie daarvan. Dat krijg je ervan, dacht ik. Nog even en ik ben zo zuur als het zuurdesembrood uit de natuurwinkel.

En nu: alleen bij de lokale biologische boer lukt het goed om dichtbij huis verpakkingsvrij boodschappen te doen. Maar daar schreeuwt het wantrouwen jegens onze ziekmakende en verdorven maatschappij (overheid, magnetrons, mondkapjes) me vanaf posters en pamfletten met zo veel agressie tegemoet (e-nummers = moord!) dat ik altijd opgelucht ben als ik met mijn gebutste, onbespoten appeltjes weer buiten sta.

En dan heb ik het nog niet gehad over verzorgingsartikelen. Volgens vrolijke, groene blogsters kan je die prima zelf maken.

Maar eerlijk? Ik zie mij zelf nog niet als een moderne alchemist mijn eigen shampoo brouwen van maïzena en avocado.

En ja hoor. Daar stak ie weer de kop op. De eeuwige twijfel. Waarom doe ik dit eigenlijk? Is dat bewuste inkoopgedoe van mij, duurzaam, biologisch en verpakkingsvrij, niet gewoon een soort moderne aflaat? Spendeer ik tijd en geld om mijn geweten te sussen? Zodat ik later mijn door ecocide ontredderde nazaten kan melden: ‘Ik heb mijn best gedaan. Ik was een goede voorouder.’

En als dat zo is, hoe eerlijk is dat dan? Ik heb toevallig de tijd en het geld om überhaupt een keuze te maken. Een privilege dat niet geldt voor het gros van de wereldbevolking. Als je leeft in een onveilig gebied, of als je bang bent de huur niet te kunnen betalen, dan heb je wel wat anders om je druk over te maken dan de verpakking van je dagelijks brood.

Als het gros van de mensen hun leefstijl niet kan of wil veranderen, als in China de plasticproductie de pan uit blijft rijzen, wat heeft het dan voor zin in dat ik een halve zaterdag spendeer aan verantwoord boodschappen doen met een slecht humeur op de koop toe?

Ik moet denken aan Dennis Storm, de voormalig TV-maker wiens leven tegenwoordig draait om minimalisme. In februari was hij onze Expeditie-gids. Hij deelde indrukwekkende feiten met de kijkers over de staat van de planeet. En hij vertelde over zijn groene en sobere levensstijl.

Het is niet negatief om de planeet weer gezonder te maken. Daar worden we allemaal beter van. De boodschap van die groene transitie, dat moet geen moeilijk boodschap zijn. We moeten daar met z’n allen zin in hebben.

Ik begreep ‘m wel, maar het klonk niet bepaald aanmoedigend. Integendeel. Dennis klonk mat en uitgeblust. Alsof hij het leed van de hele wereld op zijn schouders torste.

Het zou me niets verbazen als Dennis lijdt aan ecorexia. Mensen met ecorexia zijn zoveel bezig met duurzaam leven dat ze erin doorslaan en ongelukkig van worden.  

Dat wil ik niet! Ik wil de korte tijd die ik op onze weliswaar vervuilde maar ook prachtige aarde mag doorbrengen niet leven in angst en somberheid. Een duiveltje op mijn schouder fluistert in mijn oor: ‘Steek je kop toch in het zand. Het zal jouw tijd wel duren. En bovendien ben je veel te klein om het verschil te maken. Het zijn de overheden die systeemverandering in gang moeten zetten! Regels voor boeren, voor de verpakkingsindustrie, de kledingindustrie, voor CO2-uitstoot, alleen de overheid kan dat regelen.’

In mijn andere oor legt de stem van Jan Terlouw, met wie we de Expeditie aftrapten, de duvel het zwijgen op. ‘We zijn bezig om de aarde in rap tempo leeg te schrapen’, zei hij. ‘Alleen de mens zelf kan voor een ommekeer zorgen. Pas dan volgt de politiek. Iedereen heeft hierin een taak. We moeten het allemaal samen doen.’

Hij heeft gelijk. De politiek komt niet uit zichzelf in beweging. Voor beweging, voor systeemverandering is een kritische massa nodig.

En aan die massa kan ik bijdragen. Door een voorbeeld te zijn voor mijn kinderen. Door de bakker te verbazen met mijn broodzakken, mijn komkommer bij een lokale boer te kopen, en geen vlees te eten. Door bij mijn verandering van levensstijl ongemak te ervaren en daarover met anderen in gesprek te gaan.

Want van betekeniseconomie-expert Kees Klomp leerde ik dat we via het voeren van het morele debat uiteindelijk systeemverandering in gang zetten. ‘Dan ben je ruimte aan het creëren in je eigen hoofd en in het hoofd van anderen om er op een andere manier naar te kijken.’

Kees bezwoer ook dat het verschil maken niet altijd groots en meeslepend hoeft te zijn. Misschien moet ik dat ik mijn achterhoofd houden bij het geploeter met mijn plastic dieet. Ik wil te snel te veel.

Het sluit aan bij wat ik leerde van de andere gidsen die tijdens de Expeditie van betekenis met ons zijn opgetrokken. De inzichten die ze met ons deelden waren misschien niet eens baanbrekend, toch is het fijn om er af en toe aan herinnerd te worden.

Ik denk aan loopbaanadviseur en schrijver Heidi Jansen. In haar masterclass over Werk en zingeving liet ze zich kritisch uit over de prestatiemaatschappij waarin we leven en waarin alles draait om presteren, competitie, slagen en succesvol zijn. Ze pleitte er vurig om met elkaar de lat wat lager te leggen.

Ik denk aan de wijze lessen van docent positieve psychologie Agnes Schilder die ons op het hart drukte om imperfectie te omarmen. ‘Aanvaard wat is’. En aan psychiater Dirk de Wachter die stelt dat we niet per se het onderste uit de kan moeten halen. ‘Het excessieve als levensdoel hebben, kan problematisch zijn.’

En ik denk aan Nynke Laverman, die me heel attent, na haar optreden een lijst met tips stuurde voor een zero waste lifestyle en me op het hart drukte er de tijd voor te nemen.

Een tijdje later mailde ze motiverend: ‘Blijf het mantra ‘kleine stapjes, wees lief voor jezelf’ herhalen.

Ik nam haar advies ter harte. Dorpsgenoten die me nu met een gepijnigde blik zien prevelen bij de winkelschappen weten inmiddels: ‘Ze is niet gek, ze redt de wereld.’


Mijn eerste plastic-dieet stappen:

Meer lezen?


Van 1 oktober 2020 tot en met 3 juni 2021 organiseer ik  voor Noorderlink de Expeditie van betekenis. In een poging zélf meer van betekenis te zijn (voor mijzelf, mijn omgeving, de planeet) ga ik af en toe een challenge aan. De blogs hierover verschijnen ook op noorderlinkdagen.nl.

Pauline van der Kolk • 5 mei 2021


Previous Post

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *